Eiceldonatie IVF Bloedonderzoek

Wat betekent de uitslag van Eiceldonatie IVF Bloedonderzoek?

Bij de IVF test worden de volgende onderzoeken verricht:

  • Bloedbeeld (klein), incl. Thrombocyten
  • GPT (ALAT)
  • GOT (ASAT)
  • Gamma-GT
  • TSH
  • TPHA (lues, syfilis)
  • VDRL-test (kwalitatief)
  • Hepatitis Bs antigeen
  • Hepatitis Bc-al. (anti-HBc)
  • Hepatitis Bc IgM
  • Hepatitis Be antigeen
  • Hepatitis C al. (anti-HCV)
  • HIV1+2 al. (anti-HIV 1+2)

Bloedbeeld: HEMATLOGIE

WBC (leukocyten) Witte bloedcellen      
Verhoogd bij infecties, ontstekingen en kanker. Verlaagd bij medicijngebruik(bijvoorbeeld methotrexaat), bij sommige auto-immuunziekten, bij sommige ernstige infecties en bij het niet goed werken van het beenmerg

RBC (erytrocyten) Rode bloedcellen        
Verlaagd bij een bloedarmoede. Verhoogd bij een toegenomen aanmaak en bij vloeistof verlies door diarree, uitdroging of brandwonden.

Hemoglobine
De normaalwaarden (referentiewaarden) van hemoglobine zijn onder andere afhankelijk van leeftijd en geslacht.

Een verhoogd hemoglobine kan het gevolg zijn van:

  • uitdroging
  • verhoogde aanmaak van rode bloedcellen in het beenmerg
  • ernstige longziekten
  • Langdurig verblijf op grote hoogte (>2000 meter)

Een verlaagd hemoglobine kan het gevolg zijn van:

  • ijzergebrek of gebrek aan de vitaminen foliumzuur en vitamine-B12
  • erfelijke hemoglobine afwijkingen zoals bij sikkelcel anemie of thallassemie
  • erfelijke aandoeningen van rode bloedcellen
  • lever afbraak (levercirrose)
  • overmatig bloedverlies
  • verhoogde afbraak van rode bloedcellen
  • nierziekten
  • chronische ontstekingsziekten
  • slecht functionerend beenmerg (aplastische anemie)

Hematocriet

Verlaagd:
Verlaagd hematocriet duidt op bloedarmoede, bijvoorbeeld veroorzaakt door ijzergebrek. Andere oorzaken van een verlaagd hematocriet kunnen zijn vitaminegebrek, een bloeding, leverziekten of kanker. Verder onderzoek is nodig om de oorzaak van de bloedarmoede op te sporen.

Verhoogd:
Verhoogd hematocriet wordt meestal veroorzaakt door uitdroging. Inname van voldoende vocht lost dit probleem meestal op. Een andere oorzaak van een hoog hematocriet kan de ziekte polycytemia vera zijn. Hierbij worden in het beenmerg te veel rode bloedcellen aangemaakt. Ook komt verhoogd hematocriet voor als de longen niet goed functioneren waardoor het lichaam te weinig zuurstof krijgt. Om dit zuurstofgebrek te compenseren maakt het beenmerg meer rode bloedcellen aan en dat leidt tot verhoogd hematocriet.

Trombocyten

Verhoogd:
Infecties en ontstekingen, ijzergebrek en miltverwijdering kunnen het aantal trombocyten tijdelijk verhogen. Soms komt een hoog trombocyten aantal voor zonder aanwijsbare reden en zonder gevolgen. Ook kan in geval van bepaalde beenmergziekten (zogeheten myeloproliferatieve ziekten) het aantal trombocyten verhoogd zijn. Bij deze beenmergziekten kan zowel een bloedingsneiging voorkomen als het makkelijker vormen van een stolsel (trombose).

Verlaagd:
Een laag trombocyten aantal kan worden veroorzaakt door een verminderde aanmaak van trombocyten in het beenmerg of door een versnelde afbraak in het bloed. In beide gevallen kan het aantal trombocyten zo laag worden dat er spontaan bloedingen optreden.

Bloedgroep
Een bloedgroep is een classificatie van bloed. Deze classificatie wordt bepaald door de aanwezigheid van een bepaald molecuul (antigenen) op de buitenkant van het celmembraan van de rode bloedcellen.

Bloedgroepen zijn erfelijk en worden door beide ouders overgedragen.

Het AB0-systeem baseert de bloedgroep op basis van de aanwezige antigenen. Iemand met bloedgroep A heeft antigeen A en antistof B en iemand met bloedgroep B heeft antigeen B en antistof A. Daarnaast bestaan ook nog bloedgroep AB (antigeen A en B en geen antistoffen) en 0 (geen antigenen en antistof A en B).

De antistoffen zijn met name belangrijk bij bloedtransfusies. Iemand met bloedgroep A kan absoluut geen bloed ontvangen van iemand met bloedgroep B. De antistoffen zouden ervoor zorgen dat het bloed gaat samenklonteren.

Aangezien iemand met de bloedgroep AB geen antistoffen heeft, kan deze in noodgevallen van alle bloedgroepen (als er geen andere belemmeringen zijn) bloed ontvangen. Een persoon met bloedgroep 0 kan juist aan iedereen doneren door de afwezigheid van antigenen.

Over het algemeen worden in de praktijk echter alleen bloedtransfusies uitgevoerd met bloed van dezelfde bloedgroep.

Rhesus bloedgroepsysteem
De meeste mensen, 84 procent, zijn rhesus positief. Dit betekent dat het zogenaamde D-antigeen op de buitenkant van hun rode bloedcellen aanwezig is.

Bij de rhesus negatieve mensen is dit D-antigeen vanzelfsprekend afwezig. In principe hebben deze mensen ook geen antistoffen tegen de Rhesus D-factor, maar deze antistoffen kunnen wel ontstaan.

Als een rhesus negatief persoon in aanraking komt met positief bloed, door bijvoorbeeld een bloedtransfusie of een bevalling (positieve baby, negatieve moeder) dan worden de antistoffen aangemaakt.

Er zijn tegenwoordig meer dan 200 bloedgroepen bekend, onderverdeeld in ieder geval 16 erkende bloedgroepsystemen. Van sommige systemen zijn nog altijd niet alle antigenen bekend.

Binnen deze verschillende andere bloedgroepen bestaan ook antistoffen. Sommige van deze antistoffen zijn normaal gesproken niet in het bloed aanwezig. Dit noemen we irregulaire antistoffen. Ze ontstaan na een bloedtransfusie, maar kunnen ook voorkomen na een eerdere zwangerschap. Soms is het onduidelijk waarom ze aanwezig zijn.

In principe zijn deze antistoffen niet schadelijk, maar bij een bloedtransfusie of een zwangerschap is het wel belangrijke informatie. Vandaar dat iemand met irregulaire antistoffen ook altijd een bloedgroepenkaart krijgt.

Deze antistoffen worden vaak met letters weergegeven zoals c, C, e, E, s, S, maar soms ook met de namen van de mensen bij wie deze antistoffen het eerst zijn ontdekt zoals Duffy (Fy), Hofman, Hovekamp, Kell (K) of Kidd (Jk).

In Nederland is 0+ de meest voorkomende en AB- de minst voorkomende bloedgroep. Het is niet noodzakelijk om je bloedgroep uit je hoofd te weten. In Westerse landen wordt voor iedere bloedtransfusie de bloedgroep van de patiënt bepaald en de bloedgroep van het donorbloed. Bovendien wordt altijd een kruisproef gedaan om uit te sluiten dat er een andere meer zeldzame reactie optreedt.

Leverfunctie 
Bij gezonde mensen vallen de waarden van de leverfuncties binnen normale grenzen. Deze normale grenzen worden de referentiewaarden genoemd. Abnormale leverfuncties kunnen een eerste aanwijzing zijn in de richting van een leverziekte. In het beginstadium van een leverziekte zijn er meestal  nog geen lichamelijke klachten, terwijl de leverfuncties al wel veranderd zijn. Dit heeft te maken met de grote reservecapaciteit van de lever. Lichamelijke klachten treden hierdoor pas op wanneer de lever al behoorlijk beschadigd is.

De mate van de verhoging en de verhouding tussen de verschillende leverfuncties geven een aanwijzing in de richting van de soort leveraandoening. Om een definitieve diagnose te stellen is aanvullend onderzoek vaak noodzakelijk

Afwijkende leverfuncties
Veranderde leverfuncties wijzen niet altijd op een leveraandoening. Het kan ook veroorzaakt worden door alcoholgebruik, medicijngebruik, ondervoeding, ernstig overgewicht en erg vet eten. In eerste instantie onderneemt een arts bij licht verhoogde waardes daarom vaak nog niets. De arts zal u adviezen geven over gezonde voeding, (over)gewicht, alcohol- en medicijngebruik. Mogelijk kunt u overstappen naar andere medicijnen, die minder schadelijk zijn voor de lever. In veel gevallen worden de leverfuncties vanzelf weer normaal als u zich houdt aan de adviezen van de arts. Het is verstandig om binnen enkele maanden opnieuw bloedonderzoek te doen.

ASAT
ASAT (=Aspartaat Aminotransferase) is een leverenzym dat betrokken is bij de aanmaak van eiwitten. Een verhoogd ASAT past ondermeer bij leverschade, een leverontsteking (hepatitis) of schade aan de spieren. Indien ASAT meer is verhoogd dan ALAT duidt dit vaak op een toxische (vergiftiging) in plaats van virus (b.v. hepatitis A, B of C) als oorzaak.

Normaal:
Bij gezonde mensen (zonder leverproblemen en geen spierschade) is de hoeveelheid ASAT minder dan 35 U/l.

Licht verhoogd:
Een lichte verhoging (in de regel een uitslag

Injecties in de spieren kunnen de ASAT-waarden verhogen, net zoals te uitgebreide spieroefeningen. Gebruik van medicijnen of drugs kunnen ook de aanmaak van ASATbeïnvloeden, zodat hogere waarden worden gevonden. De arts moet voor een juiste interpretatie daarom altijd weten welke omstandigheden voor de patiënt gelden.

Sterk verhoogd:
Sterk verhoogde ASAT-waarden (in de regel een uitslag >250 U/l) komen voor bij leverontstekingen (hepatitiden), al dan niet veroorzaakt door een virus. De hoge waarden kunnen maanden aanhouden.

ALAT
Het bloedonderzoek naar alanine aminotransferase (ALAT) wordt gebruikt om leverbeschadiging te detecteren.

Verhoogde ALAT waarde kan duiden op veen leverstoornis zoals met kenmerken als: vermoeidheid, verminderde eetlust, misselijkheid, braken, opgezette buik, geelzucht, donkere urine of een lichte ontlasting. Daarnaast wordt de test aangevraagd bij mensen die mogelijk het hepatitis-virus hebben opgelopen of bij alcoholisten.

Bij mensen die geen leverziekten hebben is de ALAT-activiteit bij mannen kleiner dan 45 U/l en bij vrouwen kleiner dan 35 U/l. Aan licht verhoogde waarden, zonder klachten, wordt niet direct een betekenis toegekend. Pas wanneer de waarde meer dan tweemaal de genoemde bovengrens is, is verder onderzoek naar de oorzaak gewenst.

Licht verhoogd:
Bij een chronische leverontsteking is ALAT wel verhoogd (maximaal 5x hoger dan normaal) maar niet zo sterk als bij acute hepatitis. De dokter zal de test dan meestal vaker aanvragen om te kijken of enzymacitiviteit van ALAT verandert of hetzelfde blijft. Bij sommige, ook ernstige, leverziekten zoals afstervend leverweefsel (levercirrose), leverkanker en afsluiting van de galwegen komt het voor dat de ALAT-waarde toch normaal is of slechts licht verhoogd. Daarom wordt ALAT vaak gecombineerd met andere levertesten zoals AF en ASAT.

Sterk verhoogd:
Een sterk verhoogde ALAT enzymactiviteit (meer dan 15x hoger dan normaal) wordt bijna altijd veroorzaakt door acute leverontsteking (acute hepatitis). Deze vorm van hepatitis wordt meestal veroorzaakt door een virusinfectie. Bij acute hepatitis blijft ALAT wel 1 tot 2 maanden sterk verhoogd. Pas na 3 tot 6 maanden is de uitslag weer normaal.

Gamma GT (leverfunctie)
Bij gezonde mensen vallen de waarden van de leverfuncties binnen normale grenzen. Deze normale grenzen worden de referentiewaarden genoemd. Abnormale leverfuncties kunnen een eerste aanwijzing zijn in de richting van een leverziekte. In het beginstadium van een leverziekte zijn er meestal  nog geen lichamelijke klachten, terwijl de leverfuncties al wel veranderd zijn. Dit heeft te maken met de grote reservecapaciteit van de lever. Lichamelijke klachten treden hierdoor pas op wanneer de lever al behoorlijk beschadigd is. De mate van de verhoging en de verhouding tussen de verschillende leverfuncties geven een aanwijzing in de richting van de soort leveraandoening. Om een definitieve diagnose te stellen is aanvullend onderzoek vaak noodzakelijk

Veranderde leverfuncties wijzen niet altijd op een leveraandoening. Het kan ook veroorzaakt worden door alcoholgebruik, medicijngebruik, ondervoeding, ernstig overgewicht en erg vet eten. In eerste instantie onderneemt een arts bij licht verhoogde waardes daarom vaak nog niets. De arts zal u adviezen geven over gezonde voeding, (over)gewicht, alcohol- en medicijngebruik. Mogelijk kunt u overstappen naar andere medicijnen, die minder schadelijk zijn voor de lever. In veel gevallen worden de leverfuncties vanzelf weer normaal als u zich houdt aan de adviezen van de arts. Het is verstandig om binnen enkele maanden opnieuw bloedonderzoek te doen.

Een licht verhoogde gamma-GT waarde heeft meestal te maken met gebruik van alcohol en/of medicijnen, leververvetting en extreem overgewicht. Een sterk verhoogde gamma-GT waarde wijst op alcoholmisbruik of een belemmerde afvoer van galvloeistof. Dit kan veroorzaakt worden door galstenen, een vernauwing of afwijking aan de galwegen. Bij de meeste mensen die gezond zijn en geen leverafwijking hebben, ligt de GGT-waarde in het gebied van de normale waarden.

Licht verhoogd:
Kleine alcoholconsumpties kunnen een kortdurende (24 uur) verhoging van de GGT veroorzaken. Roken geeft ook een stijging van de GGT. Bij vrouwen neemt de GGT met de leeftijd toe, niet bij mannen. De GGT is bij mannen hoger dan bij vrouwen. Ook het ras is van invloed; bij negroiden is de GGT ongeveer 2 maal hoger dan bij Kaukasiers.

Sterk verhoogd:
Deze uitslagen geven aan dat er iets aan de hand is met de lever, maar uit de GGT is niet af te leiden wat er mis is. Hoge waarden kunnen ook passen bij hartproblemen, alcoholproblemen, medicijngebruik (allerlei soorten). Na stoppen met alcohol kan de GGT nog wel een maand, of langer, verhoogd zijn.

TSH Schildklier

Verhoogd:
Een verhoogde TSH, dus hoger dan 5,0 mE/L, betekent meestal dat de schildklier te weinig schildklierhormoon maakt (‘trage schildklier' oftewel hypothyreoïdie). De hypofyse krijgt meestal wel het signaal om meer TSH te maken, en dat gebeurt, maar vervolgens is de schildklier niet goed in staat om te reageren op TSH en extra schildklierhormonen aan te maken. In zeldzame gevallen komt het voor dat de hypofyse niet goed functioneert en daardoor te veel TSH maakt. Bij een patiënt die behandeld wordt met synthetisch schildklierhormoon betekent een hoge TSH dat de patiënt te weinig schildklier hormoon krijgt.

Verlaagd:
Een lage TSH, dus een uitslag lager dan 0,35 mE/L, betekent meestal een overactieve schildklier (oftewel hyperthyreoïdie) of een patiënt die te veel schildklierhormoon toegediend krijgt. Zeldzaam is een afwijking van de hypofyse waarbij er te weinig TSH gemaakt wordt. Wanneer het TSH te hoog of te laag is, betekent dit dat de afgifte van schildklierhormoon niet goed is. Om daar de precieze oorzaak van te achterhalen, is verder onderzoek nodig. Een onderdeel van dit onderzoek bestaat uit het meten van de schildklierhormoon (meestal betreft dit alleen het vrije T4).

Hepatitis B
De testen worden als positief of negatief gerapporteerd. Dat betekent dat de gezochte stof aanwezig is of afwezig. Bij de interpretatie van de uitslagen zal de arts kunnen afleiden in welk stadium de HBV-besmetting is: acuut, begin van herstel, later in herstel, chronisch. Ook kan de arts afleiden of iemand besmettelijk voor zijn omgeving is: wanneer antigenen aanwezig zijn, moet worden aangenomen dat iemand besmettelijk is.

 Verschillende testen op Hepatitis B en de interpretatie daarvan

 Test

 Wat wordt gemeten?

 Wat betekent de uitslag?

anti-HBs

 antistof tegen specifiek eiwit
 (s-antigeen) van HBV

anti-HBs aantoonbaar wil zeggen dat:

  • de patiënt goed gevaccineerd is
  • de infectie in laatste fase, die van genezing, is geraakt

 anti-HBe

 antistof tegen specifiek eiwit
 (e-antigeen) van HBV

 anti-HBe aantoonbaar wil zeggen dat:

  • genezing op gang is gekomen
  • de besmetting chronisch is

 anti-HBc

 antistof tegen specifiek eiwit
 (HBcore antigeen) van HBV

  • antistof aanwezig als IgM betekent acute infectie die aan het genezen is; IgM
         anti-HBc wordt vlak na infectie aangemaakt.
  • antistof aanwezig als IgG betekent chronische infectie; IgG blijft lang
         aantoonbaar;
  • vaak meet het lab anti-HBc totaal: (IgM+IgG)

 HBsAg

 eiwit (s-antigeen) van   het HBV zelf

  • bevestiging van infectie met HBV
  • daling HBsAg bij herhaalde metingen betekent dat patiënt begint te genezen
  • geen daling HBsAg bij herhaalde metingen betekent dat patiënt drager is van
         HBV en besmettingsgevaarlijk blijft voor de omgeving

 HBeAg

 eiwit (e-antigeen) van
 het HBV zelf

 niet meetbaar betekent dat het om een variant van HBVgaat die minder
 besmettelijk is.


Hepatitis C – officiële naam Anti-HCV
De test meet de aanwezigheid van antistoffen tegen het hepatitis C virus (HCV), die het lichaam aanmaakt na infectie met hepatitis C. Er zijn ook testen die het virus zelf aantonen (eiwitten of DNA van het HCV). Met deze test op het virus zelf kan de hoeveelheid van het virus worden bepaald (virale lading) en ook het type HCV (genotypering).

Hepatitis C is een virale leverontsteking. Deze vorm van hepatitis is pas eind jaren tachtig ontdekt. Veel mensen zijn besmet met het hepatitis C virus zonder het te weten. Hepatitis C is minder besmettelijk dan hepatitis A en B. Voor besmetting is bloedcontact nodig.

Risicofactoren zijn onder andere:

  • toediening van bloed(-producten) vóór 1992; pas eind 1991 was er een betrouwbare bloedtest beschikbaar en werd al het
         donorbloed in Nederland getest op hepatitis C
  • gebruik van drugs via injecties; door het delen van spuitattributen zoals watjes, naalden, water etc. kan het virus worden
         overgedragen
  • bloedtransfusies, operaties, tatoeages/piercings, rituele en andere invasieve ingrepen waarbij onveilig donorbloed wordt gebruikt
         of niet steriel gewerkt wordt.

Een hepatitis C infectie verloopt in het begin meestal symptoomloos. De infectie gaat in de meerderheid van de gevallen (70%) ongemerkt over in een chronische vorm. Circa 20-30% van de mensen met de chronische vorm ontwikkelt leverschade (littekenweefsel) en hiervan krijgt ongeveer 2-5% per jaar leverkanker. Sommige mensen krijgen pas 20 of 30 jaar na de besmetting klachten wanneer de lever al is aangetast.

Hepatitis C is een van de meest voorkomende vormen van chronische leverontsteking. De oorzaken voor het oplopen van een infectie zijn:

  • gebruik van elkaars spuiten bij injecties
  • bloedtransfusies, hemodialyse en orgaantransplantaties waarbij controles niet goed worden uitgevoerd
  • HCV-positieve moeders kunnen het virus overdragen tijdens zwangerschap

Als een hepatitis C infectie is vastgesteld kan de dokter met de HCV-test het effect van de behandeling volgen en oordelen of de behandeling leidt tot uitschakeling van het virus. Ook bij een milde infectie is controle op beloop van de infectie van groot belang, omdat eenHCV-infectie gemakkelijk chronisch kan worden. Het is zaak dat de arts de toestand van de lever van de patiënt nauwkeurig volgt.

Negatief:
Een negatieve test op antistoffen tegen HCV betekent dat het virus niet is aangetoond. Het betekent echter niet automatisch dat de patiënt niet is besmet met HCV. De antistoffen zijn namelijk niet onmiddellijk na de infectie in het bloed aan te tonen. Dat duurt enige tijd, zelfs enige maanden. Maar ze zijn daarna langdurig aantoonbaar.

Positief:
De testuitslag is positief als het bloed van de patiënt de antistoffen tegen hepatitis C virus bevat of de virusdeeltjes zelf. Een positieve test betekent dat de patiënt besmet is met het hepatitis C virus. Het virus is tamelijk goed behandelbaar. Schade aan de lever is dat echter niet, daarom is het van belang de besmetting tijdig te ontdekken en te behandelen. In dat geval raakt ongeveer 50-80% van de patiënten het virus blijvend kwijt.

HIV
Er zijn twee varianten van het HIV-virus bekend. Het eerst ontdekte virus (HIV-1) is het meest agressief. In 1985 werd in het Westelijk deel van Afrika een variant op het HIV-1 ontdekt,HIV-2 genaamd. Het HIV-2 is minder agressief dan HIV-1, het beloop is goedaardiger en trager. Mensen die geïnfecteerd zijn met HIV-2 hebben gemiddeld een langere levensverwachting dan mensen die met HIV-1 geïnfecteerd zijn. Bij bloedonderzoek wordt getest op antistoffen tegen beide HIV-typen.

De test kan het beste worden gedaan één tot drie maanden na een mogelijk contact met het virus. Het duurt na de besmetting meestal twee tot vier weken voordat de HIV antistoffen aantoonbaar zijn. In sommige gevallen kan het wel tot drie maanden duren voordat er antistoffen gevonden worden. De fase tussen de besmetting en het aantonen van de antistoffen in het bloed wordt de 'window fase' genoemd. Gedurende deze window fase kan een patiënt extra besmettelijk zijn voor anderen personen! De virale lading is in de periode 3-4 dagen na infectie tot enkele weken na seroconversie zeer dikwijls zeer sterk verhoogd. Deze kan dan gemakkelijk het tien- tot honderd-voudige zijn van de virale lading NA het setpoint (6 - 9 maanden na seroconversie).

Een negatieve testuitslag betekent dat (nog) geen antistoffen gevonden zijn tegen het HIV-virus. Bij een negatieve testuitslag moet men er op bedacht zijn dat antistoffen tegen HIVkunnen worden gevormd tot drie maanden na een mogelijk risicovol contact. Blijf maatregelen nemen om eventuele besmetting van anderen te voorkomen. Bij een test 3 maanden na een mogelijk risicovol contact betekent een negatieve uitslag dat iemand niet met het HIV-virus besmet is.

Een positieve test betekent dat er antistoffen tegen HIV zijn gevonden. De test moet altijd worden bevestigd met een tweede test. Bij een positieve bevestigingstest is het van groot belang dat u wordt begeleid door een medisch specialist, gespecialiseerd in AIDS-behandeling.raag vernemen wij uw reactie op het verloop van het door u aangevraagde onderzoek.

Treponema Palladium Screen
TPHA De TPHA is een uitstekende screeningstest voor syfilis, vanwege de grote gevoeligheid in alle stadia van de ziekte, de goede specificiteit en de mogelijkheid tot automatisering. Deze test wordt over het algemeen 3 tot 4 weken na infectie positief, afhankelijk van de IgM-bindende capaciteit van het antigeen, wat zelfs tussen verschillende kits van dezelfde leverancier kan verschillen.

Syfilis/Lues/TPHA
De syfilis-bacterie nestelt zich in of rondom de vagina, penis of anus en soms in of rond de mond. Je krijgt het door onveilig neuken, pijpen en beffen. Zonder behandeling verspreidt de bacterie zich in het lichaam via het bloed. Uit je klachten en een bloedonderzoek blijkt het stadium van de ziekte. Dit heeft gevolgen voor behandeling, controles en partnerwaarschuwing. Zonder behandeling kan syfilis ernstige gevolgen hebben.

De volgende klachten kunnen zich voordoen:

  • Zweertjes in of op de geslachtsdelen, anus of mond
  • Vlekjes op de huid over het hele lichaam, vooral op de handpalmen en voetzolen
  • Opgezette lymfeklieren
  • Griep, hoofdpijn, keelpijn, vermoeidheid
  • Haaruitval, kale plekken op de hoofdhuid
  • Oogklachten, oogbolontsteking, gezichtsverlies
  • Na jaren: beschadigingen aan het hart, hersenen, ruggenmerg en botten

Verloop
Syfilis kent verschillende ziekte-stadia. Twee tot twaalf weken na besmetting met syfilis ontstaan er zweertjes. Deze zijn tot één centimeter groot, voelen hard aan en doen meestal geen pijn. Zitten de zweertjes in je mond, anus of vagina, dan merk je er vaak niets van. Er ontstaan soms vlekken op de huid. Lymfeklieren raken opgezet. Twee tot drie weken later verdwijnen de zweertjes en vlekjes. De ziekte is niet weg. Zonder behandeling verspreidt de bacterie zich weken tot maanden later via het bloed door het hele lichaam.

Behandeling
De syfilis bacteriën worden gedood met een antibioticum. Een arts geeft deze injecties. Nacontroles zijn per persoon verschillend, soms moet je tot 2 jaar terugkomen voor controles. Tijdens de behandeling moet je geen seks hebben. Dan besmetten jij en je partner elkaar steeds opnieuw. Gebruik in ieder geval een condoom.

Advies mocht uw uitslag positief zijn:

  • Ga zo snel mogelijk naar een arts voor behandeling
  • Laat je ook testen op hiv en andere soa's
  • Geen seks tijdens de behandeling
  • Waarschuw alle sekspartners sinds de infectie
  • Waren er vooraf geen duidelijke klachten? Laat dan in ieder geval de vaste partner en eventuele kinderen onderzoeken.

Beschikbare consulten:
-Telefonisch consult HelloDoc

Place comment